Bv cvba HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Beding van aanwas voorafgegaan door een uitbreng uit het gemeenschappelijk vermogen is fiscaal misbruik

  1. De voorgenomen verrichting

Twee onder gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten met twee gemeenschappelijke kinderen, wensten bepaalde roerende goederen (aandelen van een NV, een verzameling kunstvoorwerpen en een effectenportefeuille) uit hun gemeenschappelijk vermogen uit te brengen naar hun respectieve eigen vermogens, naar elk vermogen voor de onverdeelde helft. Vervolgens wensten zij met betrekking tot deze uitgebrachte roerende goederen een beding van aanwas af te sluiten. Zij wensten, onder meer, van Vlabel te vernemen of deze verrichting al dan niet een fiscaal misbruik uitmaakte in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Belangrijk hierbij was dat een deel van dat roerend vermogen afkomstig was uit de nalatenschap van de ouders van de echtgenote, welke eigen goederen na verloop van 40 jaar huwelijk waren vermengd geweest met de gemeenschappelijke roerende goederen.

De echtgenoten wensten dat voormelde roerende goederen onherroepelijk en integraal zouden toekomen aan de langstlevende van hen. Meer bepaald wensten zij niet dat hun kinderen hun reservataire rechten zouden kunnen doen gelden bij het overlijden van hun moeder. Immers die kinderen zouden met alle middelen kunnen aantonen dat die voormelde roerende goederen voor een deel niet-aanwinsten zouden zijn, waarop zij overeenkomstig art.  1464, lid 2 B.W. de opname in de  fictieve massa ervan zouden kunnen vragen en hun reservataire rechten zouden kunnen laten gelden en de inkorting zouden kunnen vorderen.

Uit het voorgaande volgt dat giften en de theorie van de huwelijksvoordelen niet van aard waren om het doel van de echtgenoten te verwezenlijken. “De aanvragers zien de uitbreng van de voormelde vermogensbestanddelen, in combinatie met een beding van aanwas, dan ook als enige mogelijkheid om er met een sluitende zekerheid voor te zorgen dat dit vermogen zonder discussie of inmenging van hun kinderen aan de langstlevende van hen toekomt” (nr. 17).

Vervolgens verklaarden de echtgenoten dat zij hun stelsel van gemeenschap beperkt tot de aanwinsten wilden behouden voor alle andere goederen. De ontbinding ervan en de overstap naar een stelsel van zuivere scheiding van goederen zouden zij ervaren als een echtscheiding. Die overstap (aangevuld met een huwelijksvoordeel zoals een verrekenbeding) zou overigens het probleem van de mogelijke toepassing van art. 1464, lid 2 B.W. niet oplossen.

De echtgenoten verklaarden tenslotte dat de voorgaande overwegingen voldoende en  afdoende niet-fiscale motieven uitmaakten om de beoogde verrichting te rechtvaardigen.

  1. Het antwoord van Vlabel

Vlabel antwoordt letterlijk wat volgt:

42. Het kanscontract onder bezwarende titel zal evenwel niet tegenstelbaar zijn aan de Vlaamse Belastingdienst.

Vermits het contract is gesloten vanaf 1 juni 2012 zal het immers afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.

De voorgenomen verrichting waarbij eerst een deel van het roerend vermogen uit het gemeenschappelijk vermogen wordt gebracht en daaropvolgend met betrekking tot die roerende vermogensbestanddelen een kanscontract onder bezwarende titel wordt gesloten, maakt fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er eenheid van opzet aanwezig is. Partijen konden immers al veel eerder tot deze uitbreng overgaan. De eenheid van opzet blijkt des te meer uit het feit dat deze uitbreng onmiddellijk voorafgaat aan de sluiting van het kanscontract en daarbij een gelijkwaardige inleg wordt verzekerd, terwijl de betrokken goederen, volgens de bewoordingen van de aanvraag (zie randnr. 13), hoofdzakelijk afkomstig zijn uit het vermogen van mevrouw. De aangehaalde niet-fiscale motieven wegen niet op tegen de fiscale motieven” (eigen klemtoon)

  1. Bespreking
  1. Fiscaal misbruik?

Vlabel moet eerst en vooral bewijzen dat de belastingplichtige door middel van de kwestieuze verrichting niet alleen een fiscale besparing wil doorvoeren (1), maar zich buiten het toepassingsgebied van een bepaling van de VCF plaatst (2), in strijd met de doelstellingen van deze bepaling (3).

Vlabel toont niet aan welke bepaling van de VCF de echtgenoten zich willen onttrekken  en, a fortiori, dat dit gebeurt in strijd met de doelstellingen van deze bepaling.

Zolang Vlabel dat niet bewijst, hoeven de echtgenoten helemaal geen niet-fiscale motieven aan te voeren.

En passant: de “eenheid van opzet” is geen decretaal criterium voor het fiscaal misbruik.

  1. Niet fiscale motieven (ten overvloede)

Het absoluut willen vermijden dat de kinderen een beroep op hun reservataire rechten zouden doen bij het overlijden van de echtgenote/moeder, lijkt mij een afdoend civielrechtelijk motief.

  1. De sanctie (ten overvloede)

Wat bedoelt Vlabel met “Het kanscontract onder bezwarende titel zal evenwel niet tegenstelbaar zijn aan de Vlaamse Belastingdienst”. Zal Vlabel erfbelasting heffen alsof het een schenking onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker zou zijn?

Volgens de decretale bepaling (3.17.0.0.2 VCF) luidt de sanctie evenwel als volgt: “Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden”.

Die sanctie correct toepassen is uiteraard moeilijk wanneer Vlabel niet eens de moeite neemt om de “gefrustreerde” bepaling te noemen en de doelstellingen ervan aan te duiden.

  1. Maatschappelijk belang

Vlabel verplicht onder gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten om over te stappen naar een stelsel van scheiding van goederen. Of zal dat ook een fiscaal misbruik zijn? Tot hiertoe was dat niet het geval (zie de voorafgaande beslissingen nr. 17030, 17058 en 18036). Indien dat wel het geval zou zijn, zou dit kunnen betekenen dat echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel nooit een beding van aanwas zouden kunnen sluiten, althans niet binnen een bepaalde tijdsspanne. Zij zouden dus gediscrimineerd worden in vergelijking met echtgenoten die onder een stelsel van scheiding van goederen zijn gehuwd. M.a.w., het stelsel van gemeenschap van goederen is, nog meer dan dit vroeger het geval was, een weinig flexibel stelsel dat niet zonder meer aan aspirant-echtgenoten mag geadviseerd worden.

N. Geelhand