Bv HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Een schenking onder de levenden is een fiscaal misbruik. Zij frustreert art. 2.7.1.0.1-2 VCF

Recent publiceerde Vlabel een nieuwe beslissing op haar website: voorafgaande beslissing nr. 20041 dd. 31 augustus 2020, “Stak, Private stichting en Maatschap + schenking”, gepubliceerd op 9 oktober 2020.

  1. De beslissing

Het is een lange beslissing die betrekking heeft op een ingewikkelde constructie: de oprichting van de private stichtingen, de oprichting van de maatschappen en de oprichting van de stichtingen-administratiekantoor met het oog op de certificering van de deelbewijzen en ten slotte de schenkingen.

We zullen het hierna uitsluitend hebben over de schenkingen en de vraag naar de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF, art. 2.7.1.0.9 VCF, art. 2.7..1.0.3, 3° VCF en art. 3.17.0.0.2 VCF.

Die vraag wordt echter niet beantwoord door Vlabel. In de formele beslissing wordt over deze bepalingen geen uitspraak gedaan.

Wel wordt er plots gesteld wat volgt: “123. Bijgevolg zal toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF worden gemaakt wegens ontwijking van art. 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF. De gevolgen van de vooropgestelde constructie zijn er immers op gericht om de goederen uit de belastbare materie van de erfbelasting te halen, zonder dat niet-fiscale motieven dit verantwoorden. De aandelen van de twee holdingvennootschappen vennootschap A en vennootschap B waarrond de hele constructie wordt opgebouwd zullen geacht worden deel uit te maken van de nalatenschap van mevrouw Y, bij haar overlijden”.

  1.  Het recht van verdediging

Dat is toch zeer merkwaardig. De belastingplichtige vraagt uitspraak te doen over de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF, art. 2.7.1.0.9 VCF, art. 2.7..1.0.3, 3° VCF en art. 3.17.0.0.2 VCF en Vlabel antwoordt dat art. 2.7.1.0.1-2  VCF jo.  art. 3.17.0.0.2 VCF van toepassing is.  Het is niet de eerste keer dat niet geantwoord wordt op de vraag en de beslissing de aanvraag afschiet op grond van een andere bepaling van de VCF. De vraag is of de belastingplichtige is gehoord over het inroepen van niet door hem aangegeven bepalingen van de VCF. Heeft de belasting plichtige zich kunnen verweren? Heeft hij argumenten naar voor kunnen brengen?  Zo niet, rijst de vraag of de rechten van de verdediging niet geschonden zijn.[AA1] 

Het toppunt is dat bij de aanvang van de beslissing Vlabel het volgende zegt: 104. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

105. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting en/of de registratiebelasting in het algemeen” (onze klemtoon).

Met andere woorden, als de belastingplichtige nalaat een decretale bepaling te vermelden, moet men niet verwachten dat Vlabel zich over de al dan niet toepassing van deze vergeten bepaling uitspreekt.  Maar Vlabel heeft kennelijk wel steeds het recht, wanneer  de door de aanvraag vermelde bepalingen niet geschonden worden, na te gaan of er geen andere bepaling van de VCF geschonden wordt. Heel consequent is dit niet.

  1. De beslissing, inhoudelijk
  1. De motivering van Vlabel

De overwegingen die tot het hierboven vermelde besluit leiden, luiden letterlijk als volgt:

117. Op basis van de voorgelegde feiten, is het duidelijk dat de schenkingen van de blote eigendom van een aantal van de certificaten enkel zullen gebeuren na het opzetten van een uitgebreide controlestructuur[4] (waarvan de certificeringsoperatie een onderdeel is) door mevrouw Y, met finaal een absoluut grote mate van controlevoorbehoud voor de schenker, zijnde mevrouw Y.

118. De controlestructuur en de schenking wordt ten aanzien van beide begiftigden op identiek dezelfde manier opgezet. Dit wordt louter en alleen gemotiveerd door het (niet-fiscaal) motief van een gelijke behandeling tussen beide zonen. Dit versterkt dan ook het vermoeden dat er eerder fiscale motieven van doorslaggevende aard zijn.

119. De begiftigden maken beiden geen deel uit van het bestuur van de vehikels. In eerste instantie wordt dit bestuur immers uitsluitend waargenomen door mevrouw Y ( alleen of samen met de heer X), en na haar “defungeren” door “gepaste vertrouwenspersonen die wél al de juiste vaardigheden en ervaring hebben” (rechtstreeks of via de private stichting). Hiermee worden dus andere personen dan de begiftigde zonen bedoeld.

120. Op de algemene vergadering van de maatschappen komt het stemrecht van de deelbewijzen bezwaard met vruchtgebruik, in principe toe aan de vruchtgebruiker, zijnde mevrouw Y. Sommige beslissingen moeten weliswaar door de vruchtgebruiker en blote eigenaar samen worden genomen, maar uit de aanvraag blijkt niet wanneer en hoeveel van de deelbewijzen in naakte eigendom aan de kinderen wordt geschonken.

121. De opgesomde niet-fiscale motieven (samengevat onder rubriek II.B), wegen hierbij niet op tegen het fiscale voordeel dat ontegensprekelijk gehaald wordt uit de voorgenomen verrichtingen, in het bijzonder uit de voorgenomen schenkingen. In tegendeel: alle doelstellingen die worden opgesomd in rubriek II.B van de aanvraag kunnen veel beter worden bereikt door gewoon (nog) niet te schenken.

122. Het feit dat in de private stichtingen slechts 1% van de deelbewijzen wordt ingebracht, zodat er slechts op die 1% een registratiebelasting van (thans) 5,5% zal moeten worden betaald, terwijl hieraan de volledige controlestructuur wordt opgehangen, versterkt alleen maar het vermoeden dat de fiscale motieven hier doorslaggevend zijn” (onze klemtoon).

2. De beoordeling

Een eerste opmerking is dat de motivering eerder lijkt geschreven te zijn om een frustreren van art. 2.7.1.0.3,3° VCF te onderbouwen. Merkwaardiger wijze gaat de beslissing daar vervolgens niet op in.

  1. Het standpunt van Vlabel

Een tweede opmerking is dat uit deze overwegingen andermaal blijkt dat Vlabel het bestaan van een fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF afleidt uit de bedoeling om minder of geen erfbelasting te betalen, wanneer men daarvoor geen niet-fiscale motieven voor heeft, die bovendien nog pertinent of doorslaggevend moeten zijn.

Het feit zelf een schenking te doen is een fiscaal misbruik, tenzij er niet-fiscale motieven zijn. Vlabel zegt expliciet dat de redenen die de aanvrager doet gelden, enkel het “gewoon (nog) niet schenken” verantwoorden.

Wie schenkt, ledigt de nalatenschap, haalt goederen uit de belastbare materie van de erfbelasting. Dat mag niet, tenzij men daar niet-fiscale motieven voor heeft. Aldus Vlabel.

  1. De beoordeling

Een eerste repliek op het standpunt van Vlabel is dat de hoofdbedoeling bij een schenking erin bestaat de begiftigde te begunstigen. Als men de begiftigde niet graag ziet en geen vrijgevigheid wil betonen, dan schenkt men niet aan hem/haar, ook al ontsnapt men daardoor aan de erfbelasting.

Een tweede repliek houdt verband met de toepassing van art. 3.17.0.0.2 VCF door Vlabel zoals hierboven geschetst. Andermaal moet met klem gesteld worden dat dit helemaal niet overeenstemt met de definitie van het fiscaal misbruik dat in art. 3.17.0.0.2 VCF is opgenomen. Volgens deze bepaling, die strikt moet worden toegepast, moet Vlabel ook aantonen dat men zich onttrekt aan de toepassing van een bepaling van de VCF in strijd met de doelstellingen van deze bepaling.

De beslissing vermeldt niet wat de doelstellingen zijn van art. 2.7.1.0.1-2 VCF en a fortiori ook niet of er gehandeld wordt in strijd met deze doelstellingen. Dit is in strijd met een correcte interpretatie en toepassing van het algemeen fiscaal anti-misbruikbeginsel en derhalve ook met het legaliteitsbeginsel, aldus het Grondwettelijk Hof (30 oktober 2013).

De doelstellingen van een bepaling van de VCF moeten afgeleid worden uit de tekst van de bepaling en als die niet duidelijk is, uit de parlementaire voorbereiding.

De tekst van art. 2.7.1.0.1 VCF is duidelijk: “Overeenkomstig artikel 3,4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 bettreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge overlijden”. En art. 2.7.1.0.2,lid 1 VCF voegt eraan toe: “De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling”. Kortom, de bedoeling van deze bepalingen is erfbelasting te heffen bij een verkrijging uit een nalatenschap, in de hoedanigheid van erfgenaam, legataris of contractueel erfgestelde. Daaruit volgt dat de wetgever geen verkrijgingen op grond van schenkingen onder de levenden beoogde. Die verkrijgingen vallen desgevallend onder de schenkbelasting. De parlementaire voorbereiding zegt niets anders (zie M. DONNAY, Commentaar op het Wetboek der Successierechten, Brussel, Van Buggenhoudt, 1948, 13-14).

Wie een schenking doet, kan dus per definitie niet handelen in strijd met de doelstellingen van art. 2.7.1.0.1-2 VCF. Een schenking kan nooit een frustreren van art. 2.7.1.0.1-2 VCF uitmaken.

Dit geldt ook wanneer de schenking kort voor het overlijden wordt gedaan.

De wetgever heeft dat in niet mis te verstane bewoordingen zelf gezegd in de parlementaire voorbereiding van art. 7 (oud) W.Succ.: “Artikel 49 van het wetsontwerp heeft voor strekking de heimelijke verstandhouding onmogelijk te maken. Het zegt tot de burgers: beschikt over uw goederen door schenking onder de levenden, ontdoet U vóór uw overlijden; het is uw recht, daaraan stel ik geen hinderpaal; maar ik eis dan ook dat de schenking blijke uit een akte en dat die akte aan de formaliteit der registratie onderworpen worde; zoniet zullen de geschonken waarden geacht worden in uw erfboedel te bestaan tot heffing der successierechten”.( M. DONNAY, Commentaar op het Wetboek der Successierechten, Brussel, Van Buggenhoudt, 1948, 185). Het is ook duidelijk dat de wetgever schenkingen op het oog had die zeer kort vóór het overlijden door de erflater worden gedaan.

  1. Besluit  

De laatste tijd blijkt dat Vlabel, nadat een schenking in extremis wordt geregistreerd en de schenkbelasting wordt geheven, op die beslissing terugkomt en erfbelasting heft op grond van het fiscaal anti-misbruikbeginsel. Hierboven is aangetoond dat een schenking van roerende goederen in extremis, die voor het overlijden ter registratie is neergelegd, artikel 2.7.1.0.1-2 VCF niet -en nooit- kan frustreren.

Hopelijk stellen de hoven en rechtbanken op  korte termijn orde op zaken en wordt Vlabel teruggefloten.

Ondertussen wordt de belastingplichtige, die alleen gedaan heeft wat de wetgever hem sedert 1913 toelaat en die voldoende miserie heeft ingevolge het overlijden van een naaste, verplicht om een kostelijke en belastende procedure aan te gaan.

Na een lange procedure wordt Vlabel wellicht op de vingers getikt en veroordeeld tot een belachelijke rechtsplegingsvergoeding. De financiële en emotionele schade die de procederende belastingplichtige heeft ondergaan, wordt niet vergoed. Meer nog, andere belastingplichtigen die niet hebben willen procederen en die de gevorderde erfbelasting hebben betaald omdat zij het niet aankonden, zijn de pineut.

Fraai is het niet, integendeel, en dan druk ik mij eufemistisch uit.

N. Geelhand de Merxem