Bv cvba HCGB Advocaten • Amerikalei 215, 2000 Antwerpen • T + 32 3 259 09 59 • F + 32 3 237 60 36 • 

Terug naar het overzicht

Inbreng roerende goederen in burgerlijke maatschap en schenking van de delen ervan

Vlabel heeft, na de zomerpauze, opnieuw een nuttige voorafgaande beslissing bekendgemaakt op haar website inzake maatschap en schenking van de delen ervan (VB nr. 18027 dd. 25.07.2018, “Inbreng van roerende goederen in maatschap en schenking deelgerechtigdheden maatschap”, publ. 14.08.2018).

Het betreft andermaal een klassiek geval van vermogende ouders, gehuwd onder een conventioneel gemeenschapsstelsel, met twee kinderen (hun leeftijd wordt niet vermeld, maar de levensverwachting van de ouders wordt op meer dan 12 jaar geraamd). De ouders wensen eerst met hun twee kinderen een burgerlijke maatschap op te richten, waarin zij gemeenschappelijke roerende goederen inbrengen (liquiditeiten en effecten), waarin zij een quasi-volledige controle hebben (de ouders zijn statutaire beheerders, maar in de algemene vergadering is unanimiteit vereist) en die zal duren tot 31 december 2030 (met mogelijkheid van verlenging). Vervolgens zouden zij willen overgaan tot het doen van een schenking van het gros van de delen van de maatschap aan de kinderen als voorschot op erfenis. De schenking zou geschieden in volle eigendom, maar onder last een optionele forfaitaire jaarlijkse lijfrente van 1,5% van het geschonken vermogen te betalen aan de schenkers. Het totaal bedrag van alle effectieve rentebetalingen zal hoe dan ook nooit hoger kunnen zijn dan 50% van de waarde van de schenking op datum van de schenking. Er wordt ook een optioneel conventioneel beding van terugkeer opgenomen, een beding van fideicommissum de residuo en een in de tijd beperkte uitsluitingsclausule. De schenking zou verleden worden voor een Nederlandse notaris. Wel wordt de mogelijkheid achter de hand gehouden om de schenking alsnog te laten registreren voor het geval de driejaarstermijn niet zou worden gehaald.

De partijen vragen aan Vlabel te bevestigen dat geen van de art. 2.7.1.03,3°, 2.7.1.0.5, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF of enige andere bepaling van de VCF, op zich dan wel in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF van toepassing zal zijn en dat er dus geen erfbelasting zal verschuldigd zijn.

-Wat art. 2.7.1.0.3, 3° VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF betreft, beslist Vlabel wat volgt: “In casu  is de duur van de maatschap niet gebonden aan het overlijden van de schenkers, zodat artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet kan worden toegepast”. Het criterium voor de toepassing van deze bepalingen lijkt hier dus te zijn dat de duur van de maatschap gekoppeld wordt aan het overlijden van de schenkers. Dat is interessant, maar neemt niet weg dat de decreetgever nooit de bedoeling heeft gehad om met art. 4, 3° Vl.W.Succ. (oud) de schenking van delen van de maatschap te viseren. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een handelen in strijd met de doelstelling van art. 2.71.0.3,3° VCF. Hierover loopt een procedure voor het Hof van beroep te Gent die daarover klaarheid moet brengen.

Impliciet erkent Vlabel ook dat een aan de schenking gekoppelde fideicommis de residuo de toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF niet met zich brengt.

-Wat art. 2.7.1.0.5 VCF betreft, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF stelt Vlabel wat volgt: “Artikel 2.7.1.0.5 VCF treft bevoordelingen van roerende goederen die de erflater in de “verdachte periode” van drie jaar voor zijn overlijden gedaan heeft. De bevoordelingen die, voor het overlijden van de schenker, niet onderworpen zijn geweest aan de schenkbelasting of het schenkingsrecht, vallen onder de toepassing van voormeld artikel.Indien elk van de schenkers nog minstens drie jaar in leven blijft na de datum van de schenkingsakte, vindt artikel 2.7.1.0.5 VCF geen toepassing. Deze driejarige termijn wordt berekend van dag tot dag.In geval van overlijden van één of beide schenkers binnen de verdachte periode van drie jaar kan de toepassing van artikel 2.7.1.0.5, §1 VCF enkel vermeden worden indien de Nederlandse schenkingsakte ter registratie is aangeboden vóór het overlijden. Op dat ogenblik is de schenking immers aan de schenkbelasting onderworpen”.

De loutere neerlegging van de Nederlandse authentieke schenkingsakte onder de minuten van een Belgische notaris vóór het overlijden volstaat niet. Deze Belgische notariële akte moet ook reeds ter registratie zijn aangeboden”. Dit is niet juist. Bij een Belgische notariële akte (houdende neerlegging onder de minuten van een Nederlandse schenkingsakte) is de schenkbelasting eisbaar op het ogenblik waarop de notaris zijn handtekening onder de depot-akte zet, ook al overlijdt de schenker tussen het verlijden van de depot-akte en de effectieve registratie van de akte. Deze vergissing zal worden rechtgezet.

-Wat art. 2.7.1.0.7 VCF betreft, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF stelt Vlabel wat volgt:  Aanvragers verklaren dat de schenking door X en Y aan A en B zal worden verricht in volle eigendom. Aangezien er met betrekking tot de betrokken liquiditeiten en effecten geen gesplitste inschrijving bestaat voor het vruchtgebruik en de blote eigendom, is artikel 2.7.1.0.7 VCF in casu niet van toepassing”. Impliciet bevestigt Vlabel dat een optionele forfaitaire jaarlijkse lijfrente de toepassing van art. 2.7.1.0.7 VCF niet met zich meebrengt.

-Wat art. 2.7.1.0.9 VCF betreft, al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF stelt Vlabel wat volgt:  “Uit de voorgelegde modaliteiten van de schenking blijkt dat de last tot uitbetaling van een levenslange periodieke rente wordt beperkt tot 50% van de waarde van de schenking op datum van de schenking.Hiermee wordt beoogd dat inzake de schenking zelf de last niet zo hoog gaat oplopen dat het in feite geen schenking meer is waardoor er zich een herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel zou opdringen.Gelet op de modaliteiten van de schenking aanvaardt Vlabel dat de last de schenking zelf niet kan uitputten, zodat er geen herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel zal gebeuren.Bijgevolg is artikel 2.7.1.0.9 VCF niet van toepassing op de schenking van de deelbewijzen aan de zonen”. Voor het buiten spel zetten van art. 2.7.1.0.9 VCF volstaat het dus dat wordt bepaald dat de last om een rente te betalen de schenking zelf niet zal uitputten.

 

N. Geelhand