Eggermont Van Eyndhoven Crommen Geelhand Barbaix

De nieuwe gunstregeling voor familiale vennootschappen en de werking in de tijd

| Nicolas Geelhand de Merxem

Bij schenking of vererving van aandelen van een familiale vennootschap geldt in de schenk- respectievelijk erfbelasting een “gunsttarief”. De schenking is zonder meer vrijgesteld van schenkbelasting. Bij de vererving is het tarief 3% (in rechte lijn en tussen partners) of 7% (voor alle anderen). Deze gunstregeling werd destijds ingevoerd om de continuïteit van deze vennootschappen, en derhalve ook van de tewerkstelling, te garanderen. Uiteraard dienen deze vennootschappen aan bepaalde voorwaarden te voldoen, zowel bij de schenking/vererving als nadien.

Over het voortbestaan en het nut van deze gunstregeling is iedereen het eens. Maar er bestond wel kritiek op de toepassingsvoorwaarden. Die voorwaarden zouden niet streng genoeg zijn en zouden derhalve niet beletten dat privaat onroerend patrimonium zou kunnen overgedragen worden. Er was zelfs sprake van een “achterpoortje” waardoor vermogenden zouden ontsnappen aan de heffing van de “normale” schenk- en erfbelasting.

Derhalve heeft de Vlaamse Regering beslist om dat achterpoortje te sluiten en de toepassingsvoorwaarden te verstrengen. De algemene regel is dat het gunsttarief niet kan slaan op de waarde van de aandelen die gerelateerd wordt aan residentieel vastgoed en bouwgronden die zich in de vennootschap bevinden. Op deze regel bestaat een uitzondering: een familiale vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op residentieel vastgoed, komt voor het geheel in aanmerking voor het gunsttarief. Bijkomende voorwaarde is wel dat de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.

Deze regeling is in werking getreden op 1 januari 2026 en is van toepassing op authentieke schenkingsakten verleden te rekenen vanaf die datum en op nalatenschappen die te rekenen vanaf die datum zijn opengevallen. Over die toepassing in de tijd werden in de parlementaire voorbereiding en in de commentaren op de nieuwe regeling bijzonder weinig vragen gesteld. Nochtans zijn er duidelijk acute problemen. Twee voorbeelden:

Vastgoedvennootschappen met een duidelijke effectieve commerciële activiteit (projectontwikkeling, professionele verhuring, koop-verkoop), maar zonder personeel die tot en met 31 december 2025 aan alle voorwaarden voldeden om te genieten van de vrijstelling of van de gunsttarieven, voldoen van de ene dag op de andere niet meer. Dat kan pas opnieuw na verloop van drie jaar te rekenen vanaf de aanwerving van minstens een voltijds personeelslid. Een overlijden in die periode heeft tot gevolg dat het gewone tarief (maximumtarief van 27% of 55%) van toepassing is. Dit kan toch niet de bedoeling zijn!?

Ook de vennootschappen met een gemengde vastgoedactiviteit (50% bedrijfsgebouwen en 50% residentieel vastgoed) die tot 31 december 2025 volledig konden genieten van de gunstregeling, vallen van de ene dag op de andere (het deel residentieel vastgoed) uit de boot. Zij kunnen niet genieten van de voormelde uitzondering zolang de vastgoedactiviteiten niet gesplitst worden. Het is toch absurd dat een vennootschap na de splitsing wel volledig kan genieten van de gunstregeling, maar vóór de splitsing niet, daar waar de activiteiten identiek zijn.

Er is voor deze hypothesen niet in een overgangsregeling voorzien. De decreetgever had toch minstens kunnen bepalen dat men gedurende drie jaar te rekenen vanaf 1 januari 2026 zou kunnen kiezen voor de toepassing van de oude regeling of voor die van de nieuwe regeling. Tijdens die drie jaar zouden de twee regelingen naast elkaar bestaan. Deze techniek is enkele jaren geleden reeds toegepast bij de overschakeling van de vrijstelling voor bossen naar de vrijstelling voor natuurgebieden.

Er is geen bezwaar dat een nieuwe strengere decretale regeling die als rechtvaardiger wordt beschouwd, onmiddellijk in werking zou treden. Maar de ondernemers moeten dan wel de mogelijkheid hebben zich onmiddellijk te kunnen aanpassen aan de strengere regeling en, zo niet, om gedurende een bepaalde periode nog een beroep te kunnen doen op de oude regeling. Bij nieuwe wetgeving zijn er steeds twee aandachtspunten: het rechtvaardiger karakter van de nieuwe regeling en de invoering van aangepaste overgangsbepalingen.

Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen