Eggermont Van Eyndhoven Crommen Geelhand Barbaix

Welke hervorming na vijftig jaar huwelijksvermogensrecht?

| Nicolas Geelhand de Merxem

Terecht stelt Prof. Charlotte DECLERCK dat het tijd is om het bestaande huwelijksvermogensrecht te hervormen. Het werd weliswaar nog recent (2018) grondig gewijzigd, maar niet met betrekking tot alle aspecten. Meer bepaald is geen rekening gehouden met de volledige gewijzigde feitelijke context. Er werd, zo blijkt uit statistiek Vlaanderen, 27.100 keer getrouwd in Vlaanderen in 2024. Hoewel dat 6,7% meer is dan in 2023, blijkt uit dezelfde statistiek dat er in 2024 niet minder dan 21.400 verklaringen van wettelijke samenwoning werden afgelegd. Dat laatste statuut zou vooral door partners tussen 25 en 29 jaar gekozen worden. Kortom, er werden in 2024 meer wettelijke samenwoningen aangegaan dan huwelijken. Nochtans worden alleen de vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijk fatsoenlijk geregeld. De regeling voor wettelijke samenwoning stelt niet veel voor. Het heeft de schijn van een bescherming, maar biedt geen enkele bescherming op het “einde van de rit”. Het is een “loer”. Volgens sommigen is het zelfs “gebakken lucht”. De langstlevende partner wordt niet beschermd tegen de aanspraken van de kinderen. De minder vermogende partner wordt niet beschermd ingeval van scheiding. In 2024 scheidden 11.000 gehuwde koppels uit de echt en bijna 7.000 wettelijke samenwoningen werden beëindigd.

Indien de wettelijke samenwoning vanuit socio-economisch oogpunt niet verschilt van het huwelijk, zou Prof. HEYVAERT zaliger terecht de vraag stellen waarom het primair huwelijksvermogensstelsel niet moet worden uitgebreid tot wettelijke samenwoners, op straffe van ongeoorloofde discriminatie. Dat samenlevers de vrije keuze hebben tussen die twee statuten is een drogreden, want niemand legt hen uit wat het verschil is tussen die twee statuten. Er is geen informed consent.

Of het huidige wettelijk stelsel “het beste stelsel” is voor Jan Modaal, valt te betwijfelen, zeker wanneer hij een noemenswaardig vermogen heeft opgebouwd. Een scheiding van goederen met finale verrekening van aanwinsten biedt immers vele voordelen. Met dit stelsel is een parallel met de wettelijke samenwoning snel gemaakt.

Het grootste verschil tussen gehuwden en wettelijke samenwoners, is wellicht dat de eersten huwelijksvoordelen kunnen doen ontstaan en de tweede categorie niet. Dat is betreurenswaardig. Huwelijksvoordelen bieden een afdoende bescherming van de langstlevende partner tegen de kinderen, zeker wat het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen betreft (de zgn. “aanwinsten”) en wanneer het gemeenschappelijke kinderen betreft. Zo kunnen gehuwden alle aanwinsten bij overlijden doorschuiven naar de langstlevende, zonder dat de gemeenschappelijke kinderen daar iets kunnen tegen inbrengen.

Wat is nu het punt? De jeugd van tegenwoordig trouwt later of helemaal niet, woont vaker eerst samen, feitelijk of wettelijk, koopt samen een woning en betaalt samen de hypotheek af, en bouwt dus samen een vermogen op. Dan volgen de kinderen en, soms, volgt dan een huwelijk. Maar al wat vóór het huwelijk is opgebouwd, zelfs tijdens een wettelijke samenwoning, maken geen “aanwinsten” uit in de juridische zin en kunnen niet het voorwerp uitmaken van huwelijksvoordelen.

Wanneer de partners tot het besef komen, meestal in het zicht van het overlijden van één van hen, dat het beter was geweest van meet af aan te huwen, is het te laat. De partners kunnen wel alsnog in het huwelijk treden, maar al wat daarvóór is opgebouwd maakt geen “aanwinsten” uit, waardoor de bescherming van de langstlevende tegen de (gemeenschappelijke) kinderen veel kleiner is.

Een oplossing zou er in kunnen bestaan bij wettelijke samenwoning ook “samenlevingsvoordelen” te creëren. Dat werd naar aanleiding van de hervorming van 2018 reeds in het vooruitzicht gesteld. Wellicht is dit te progressief en zijn de geesten nog niet rijp voor een dergelijke drastische ingreep.

Een meer haalbare oplossing zou er in kunnen bestaan in de wet op te nemen dat wanneer wettelijke samenwoners in het huwelijk treden, de aanwinsten niet beperkt zijn tot wat tijdens het huwelijk is opgebouwd, maar zich uitstrekken tot wat na de verklaring van wettelijke samenwoning is opgebouwd.

Nicolas Geelhand de Merxem
Prof. (em.) dr. Universiteit Antwerpen